Regeling Houders van dieren

Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 23 juni 2014, nr. WJZ/14101260, houdende regels met betrekking tot het houden van dieren

Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen

Artikel 1.1

In deze regeling wordt verstaan onder:

–    besluit: Besluit houders van dieren;

–    minister: Minister van Economische Zaken;

–    NVWA: Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit van het Ministerie van Economische Zaken;

–    recept: een recept als bedoeld in artikel 1.1 van het Besluit diergeneesmiddelen;

–    richtlijn 2007/43/EG: richtlijn 2007/43/EG van de Raad van 28 juni 2007 tot vaststelling van minimumvoorschriften voor de bescherming van vleeskuikens (PbEU 2007, L 182);

–    verordening (EG) nr. 1/2005: verordening (EG) nr. 1/2005: verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van de Europese Unie van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten en tot wijziging van de Richtlijnen 64/432/EEG en 93/119/EG en Verordening (EG) nr. 1255/97 (PbEU 2005, L 3).

 Hoofdstuk 2. Dieren die gehouden mogen worden

gereserveerd

Hoofdstuk 3. Administratie van diergeneesmiddelen door de houder van dieren

Artikel 3.1. Administratie van diergeneesmiddelen door houder van dieren

  1. Een houder van dieren die dieren houdt die voor de productie van levensmiddelen zijn bestemd, voert een administratie inzake iedere transactie met diergeneesmiddelen als bedoeld in de artikelen 2.13, 2.14 en 4.12 van de Regeling diergeneesmiddelen, in welke administratie de volgende documenten en gegevens zijn opgenomen:
  2. voor zover een recept als bedoeld in artikel 5.13 van de Regeling diergeneesmiddelen is opgesteld, een gewaarmerkt afschrift van dat recept;
  3. de facturen bij aankoop van diergeneesmiddelen;
  4. een lijst met de data van de uitgevoerde behandelingen met diergeneesmiddelen en de nummers van deze diergeneesmiddelen, voor zover de behandelingen door de houder zijn uitgevoerd;
  5. de identificatie van de behandelde dieren;
  6. de vastgestelde wachttermijn, voor zover deze niet reeds op een recept als bedoeld in onderdeel a is vermeld;
  7. de aantekeningen, bedoeld in artikel 5.3, van de Regeling diergeneeskundigen.

  1. De houder van dieren, bedoeld in het eerste lid, kan de administratie, bedoeld in het eerste lid, doen uitvoeren in de door de dierenarts overeenkomstig artikel 5.16 van de Regeling diergeneesmiddelen en artikel 5.1 van de Regeling diergeneeskundigen te voeren administratie.
  2. Een houder van dieren die dieren houdt die bestemd zijn voor de productie van levensmiddelen, voert een administratie inzake transacties met diervoeder met medicinale werking, in welke administratie de volgende gegevens zijn opgenomen:
  3. een gewaarmerkt afschrift van een recept als bedoeld in artikel 7.2 van de Regeling diergeneesmiddelen en, voor zover dit niet reeds op dat afschrift is vermeld:
  4. naam en hoeveelheid van het voorgeschreven diervoeder met medicinale werking;
  5. de datum waarop het diervoeder met medicinale werking werd voorgeschreven;
  6. de in acht te nemen wachttermijn.

  1. De administratie, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, en de bescheiden die verband houden met de aantekeningen in de administratie, worden gedurende vijf jaar bewaard, gerekend vanaf de dagtekening van de stukken.

Hoofdstuk 4. Dierenvervoer

Artikel 4.1. Uitvoering toezichtstaken verordening (EG) nr. 1/2005

De minister draagt zorg voor de uitvoering van de taken die in artikel 26, zesde lid, van verordening (EG) nr. 1/2005 aan de lidstaten zijn opgedragen.

Artikel 4.2. Vergunning artikelen 10 en 11 verordening (EG) nr. 1/2005

De minister kan een vergunning als bedoeld in de artikelen 10, eerste en tweede lid, en 11, eerste en derde lid, van verordening (EG) nr. 1/2005 schorsen of intrekken in de gevallen, bedoeld in artikel 26, vierde lid, aanhef en onderdeel c, van verordening (EG) nr. 1/2005.

Artikel 4.3. Vergunning artikel 23 verordening (EG) nr. 1/2005

Indien de situatie dermate spoedeisend is dat de minister een besluit op een aanvraag van een vergunning als bedoeld in artikel 23, derde lid, van verordening (EG) nr. 1/2005 niet tevoren op schrift kan stellen, zorgt de minister alsnog zo spoedig mogelijk voor de opschriftstelling en de bekendmaking.

Artikel 4.4. Certificaat van goedkeuring van een vervoermiddel

  1. Een aanvraag voor een certificaat van goedkeuring van een vervoermiddel als bedoeld in artikel 18, eerste lid, of artikel 19, eerste lid, van verordening (EG) nr. 1/2005 wordt ingediend bij de Dienst Wegverkeer, bedoeld in artikel 4a van de Wegenverkeerswet 1994.
  2. De minister kan het certificaat van goedkeuring schorsen of intrekken in de gevallen, bedoeld in artikel 26, vierde lid, aanhef en onderdeel c, van verordening (EG) nr. 1/2005.
  3. Ter vergoeding van de kosten ter behandeling van een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, wordt bij de aanvrager een bedrag in rekening gebracht overeenkomstig de door de Dienst Wegverkeer vastgestelde tarieven met betrekking tot dierenvervoer.

Artikel 4.5. Aanwijzing bevoegde autoriteiten verordening (EG) nr. 1/2005

  1. Als bevoegde autoriteit als bedoeld in de artikelen 4, tweede lid, 5, derde lid, onderdeel b, en 6, eerste lid, tweede zin, vijfde, achtste en negende lid, van verordening (EG) nr. 1/2005 worden aangewezen de ambtenaren van de NVWA en de inspecteurs van de stichting Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming.
  2. Als bevoegde autoriteit als bedoeld in de artikelen 6, tweede lid, en 9, tweede lid, onderdeel c, en bijlage II, onderdelen 3, onder b, 4, 5 en 8 van verordening (EG) nr. 1/2005 worden aangewezen de ambtenaren van de NVWA.

Artikel 4.6. Aanwijzing officiële dierenartsen verordening (EG) nr. 1/2005

  1. Als officiële dierenartsen als bedoeld in artikel 21, eerste en tweede lid, en in bijlage II, onderdeel 7, van verordening (EG) nr. 1/2005 worden aangewezen de dierenartsen die zijn verbonden aan de NVWA.
  2. Als bevoegde dierenartsen als bedoeld in bijlage I, hoofdstuk III, onderdeel 1.2, onder b, van verordening nr. 1/2005 worden aangewezen de dierenartsen die zijn verbonden aan de NVWA.

Artikel 4.7. Erkenning examen verordening (EG) nr. 1/2005

  1. Een door de Divisie CCV van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, bedoeld in artikel 4z van de Wegenverkeerswet 1994, afgenomen examen wordt aangemerkt als een erkend examen als bedoeld in bijlage IV, onderdeel 1, van verordening (EG) nr. 1/2005.
  2. De Divisie CCV van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen is belast met het afgeven van een getuigschrift van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 17, tweede lid, van verordening (EG) nr. 1/2005.
  3. De minister kan een getuigschrift van vakbekwaamheid schorsen of intrekken in de gevallen, bedoeld in artikel 26, vijfde lid, van verordening (EG) nr. 1/2005.
  4. Ter vergoeding van de kosten ter behandeling van een aanvraag voor een getuigschrift als bedoeld in het tweede lid, wordt bij de aanvrager een bedrag in rekening gebracht overeenkomstig de door het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen vastgestelde tarieven.

Artikel 4.8. Verbodsbepaling

Als voorschriften als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de wet worden aangewezen de artikelen 3 tot en met 9 en 12 van verordening (EG) nr. 1/2005.

Hoofdstuk 5. Doden van dieren

Artikel 5.1. Nationale gidsen voor goede praktijken

  1. De minister beoordeelt gidsen voor goede praktijken overeenkomstig artikel 13 van verordening (EG) nr. 1099/2009.
  2. De minister maakt zijn oordeel bekend overeenkomstig artikel 3:42, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 5.2. Opleidingen

  1. De minister keurt een opleidingsprogramma als bedoeld in artikel 21, eerste lid, onderdeel c, van verordening (EG) nr. 1099/2009 goed indien:
  2. het programma is opgesteld en wordt uitgevoerd door een instelling die schriftelijk aantoont dat zij beschikt over een stelsel van integrale kwaliteitszorg en kwaliteitsborging op grond waarvan zeker is gesteld dat het onderricht onafhankelijk, toereikend en doelmatig wordt gegeven door voldoende deskundig personeel op het gebied van dieren en dierenwelzijn;
  3. het opleidingsprogramma voorziet in voldoende theoretisch en praktisch onderricht voor het kunnen verrichten van activiteiten als bedoeld in artikel 7, tweede en derde lid, van verordening (EG) nr. 1099/2009 en betreffende de onderwerpen in bijlage IV van die verordening voor alle betrokken diersoorten dan wel diercategorieën;
  4. het opleidingsprogramma, onverminderd het bepaalde in onderdeel b, voorziet in opleidingsmodules voor onderscheiden activiteiten als bedoeld in onderdeel b, of voor specifieke diersoorten of diercategorieën.

  1. Een kwaliteitssysteem dat is gecertificeerd op de norm ISO 9001:2008 voldoet in ieder geval aan het vereiste, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a.

Artikel 5.3. Examens

  1. Een examen als bedoeld in artikel 21, eerste lid, onderdeel b, van verordening (EG) nr. 1099/2009 wordt afgenomen door een door de minister aangewezen instelling.
  2. Een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid geschiedt uitsluitend indien de betreffende instelling:
  3. schriftelijk aantoont dat zij beschikt over een stelsel van integrale kwaliteitszorg en kwaliteitsborging op grond waarvan zeker is gesteld dat examens op onafhankelijke wijze worden afgenomen;
  4. beschikt over een reglement waarin onder meer is vastgelegd aan welke eisen dient te worden voldaan om een examen te mogen afleggen, wanneer examens worden afgenomen, de wijze waarop het resultaat wordt beoordeeld, wie gerechtigd is het examen bij te wonen en een regeling voor geschillen.

  1. Een kwaliteitssysteem dat is gecertificeerd op de norm NEN 17024 (NEN-EN-ISO/IEC 17024:2009 of 17024:2012) voldoet in elk geval aan het vereiste, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a.
  2. Het reglement, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, behoeft de goedkeuring van de minister.
  3. De minister keurt het reglement, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, goed indien zeker is gesteld dat kennis en kunde voor het verrichten van activiteiten als bedoeld in artikel 7, tweede en derde lid, van verordening (EG) nr. 1099/2009 en de onderwerpen in bijlage IV van die verordening, voldoende en door personen met de daartoe benodigde expertise wordt getoetst en indien het voldoet aan de overige eisen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b.

Artikel 5.4. Getuigschrift van vakbekwaamheid

  1. Een getuigschrift van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 7 van verordening (EG) nr. 1099/2009 wordt verstrekt door de instelling, bedoeld in artikel 6.3, eerste lid, die het afsluitend examen heeft afgenomen indien het examen met voldoende resultaat is afgelegd.
  2. Een getuigschrift van vakbekwaamheid wordt niet verstrekt indien niet is voldaan aan het vereiste, bedoeld in artikel 21, zesde lid, van verordening (EG) nr. 1099/2009.

Artikel 5.5. Voorlopige getuigschriften van vakbekwaamheid

  1. Een instelling die is aangewezen op grond van artikel 5.3, eerste lid, verstrekt voorlopige getuigschriften van vakbekwaamheid overeenkomstig artikel 21, vijfde lid, van verordening (EG) nr. 1099/2009.
  2. Artikel 5.4, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op het verstrekken van voorlopige getuigschriften als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 5.6. Indiening collectieve aanvragen

Aanvragen tot verstrekking van een getuigschrift als bedoeld in artikel 5.4 en 5.5 kunnen collectief namens betrokken personen door de werkgever van die personen worden gedaan en bevatten de namen, adressen en geboortegegevens van de betrokken personen, alsmede de overige gegevens, bedoeld in artikel 21, vijfde lid, van verordening (EG) nr. 1099/2009.

Artikel 5.7. Gelijkstelling van voor 1 juni 2013 verstrekte getuigschriften

  1. Getuigschriften van vakbekwaamheid voor het doden van dieren die zijn verstrekt in de periode te rekenen vanaf 1 januari 2012 tot 1 juni 2013 door SVO Lobex BV te Houten, en certificaten van de cursus ‘Euthanasie van nertsen’ zijn gelijkgesteld aan getuigschriften van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 5.4.
  2. Ten behoeve van personen als bedoeld in artikel 29, tweede lid, van verordening (EG) nr. 1099/2009 wordt door instellingen als bedoeld in artikel 5.3 in hun opleidingsprogramma voorzien in een verkorte cursus op basis waarvan door een instelling aangewezen op grond van artikel 5.5 aan hen een getuigschrift van vakbekwaamheid overeenkomstig artikel 5.4 kan worden verstrekt.

Artikel 5.8. Verbodsbepaling

Als voorschriften van EU-verordeningen als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de wet worden aangewezen de artikelen 3, 4, eerste en vierde lid, 5, eerste en tweede lid, 6, eerste en tweede lid, 7, 8, 9, 12, 14, eerste en tweede lid, 15, eerste, tweede en derde lid, 16, eerste tot en met vierde lid, 17, 19, 21, zesde lid, 24 en 28, eerste lid, van verordening (EG) nr. 1099/2009.

Hoofdstuk 6. Verzorging vleeskuikens

Artikel 6.1. Begripsbepalingen verzorging vleeskuikens

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder bruto oppervlakte van de stal: binnenmaatse oppervlakte van de stal, voor zover het betreft het gedeelte van de stal, bestemd voor het houden van vleeskuikens.

Artikel 6.2. Kennisgeving hogere bezettingsdichtheid

  1. De kennisgeving, bedoeld in artikel 2.55, eerste lid, van het besluit, en de kennisgeving, bedoeld in artikel 2.59, eerste lid, van het besluit, geschiedt aan de minister.
  2. Voor de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, wordt gebruikt gemaakt van een door de minister ter beschikking gesteld middel.
  3. De kennisgeving gaat per stal vergezeld van de volgende gegevens:
  4. het KIP-nummer, zijnde het nummer dat wordt verstrekt op grond van artikel 2, tweede lid, van de Verordening identificatie en registratie van pluimveebedrijven en levend pluimvee (PPE) 2012 van het Productschap Pluimvee en Eieren;
  5. het relatienummer van de houder;
  6. het stalnummer dat is bevestigd aan de buitenkant van de stal;
  7. de adresgegevens van de stal;
  8. de bruto oppervlakte van de stal in vierkante meters;
  9. het bouwjaar van de stal en, indien van toepassing, het jaar waarin een grondige verbouwing met directe gevolgen voor het dierenwelzijn heeft plaatsgevonden.

  1. De houder kan verstrekking van gegevens als bedoeld in het derde lid achterwege laten, voor zover deze gegevens zijn opgenomen in het KIP registratiesysteem, bedoeld in de in het derde lid, onderdeel a, genoemde verordening.

Artikel 6.3. Kennisgeving lagere bezettingsdichtheid

  1. De kennisgeving, bedoeld in artikel 2.65, eerste lid, van het besluit, geschiedt aan de minister.
  2. Voor de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, wordt gebruikt gemaakt van een door de minister ter beschikking gesteld middel.
  3. De kennisgeving gaat per stal vergezeld van de gegevens, genoemd in artikel 6.2, derde lid, onderdelen a, b, c en d.
  4. Artikel 6.2, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 6.4. Berekening bezettingsdichtheid

  1. De bezettingsdichtheid van een stal wordt berekend op basis van de bruikbare oppervlakte van de stal, gelijk aan de bruto oppervlakte van de stal.
  2. Indien een stal is uitgerust met voersystemen waaronder de kuikens redelijkerwijs niet kunnen lopen of liggen wordt voor het bepalen van de bruikbare oppervlakte, bedoeld in het eerste lid, een forfaitaire aftrek gehanteerd van 1,7% van de bruto oppervlakte van de stal.

Artikel 6.5. Aanvullende normen voor het aanhouden van een bezettingsdichtheid van meer dan 39 kg/m2, maar ten hoogste 42 kg/m2

  1. De houder die een bezettingsdichtheid van meer dan 39 kg/m2, maar ten hoogste 42 kg/m2 toepast, zorgt ervoor dat voor elk koppel in het slachthuis, of voor een voor de export bestemd koppel op het bedrijf ten hoogste vijf werkdagen voor het einde van de ronde, wordt vastgesteld in welke mate voetzoollaesies voorkomen.
  2. Ten behoeve van de vaststelling, bedoeld in het eerste lid, wordt bij een aantal vleeskuikens van een koppel beoordeeld bij hoeveel dieren er
  3. geen of een zeer kleine verkleuring zichtbaar is (klasse 0);
  4. verkleuring maar geen diepe aantasting aanwezig is (klasse 1);
  5. een laesie met aantasting van de opperhuid en onderhuidse ontsteking (klasse 2) aanwezig is.

  1. De houder maakt afspraken met de exploitant van het slachthuis respectievelijk het bedrijf dat de vaststelling in de stal verricht, zodanig dat de vaststelling plaatsvindt:
  2. bij het slachthuis:

1°.door een daarvoor opgeleide medewerker, bij 100 kuikens van elk koppel, waarvan 50 kuikens direct na verwerking van ongeveer 30% van het koppel, en 50 kuikens direct na verwerking van ongeveer 60% van het koppel, met inachtneming van het protocol dat als bijlage 3 bij deze regeling is gevoegd, dan wel

2°.met gebruikmaking van een digitaal meetsysteem bij ten minste 70% van alle kuikens van elk koppel;

  1. in de stal: ten hoogste 5 werkdagen voordat de laatste vleeskuikens worden weggeladen, door een daarvoor opgeleide medewerker, bij 100 kuikens van elk koppel met inachtneming van het protocol dat als bijlage 4 bij deze regeling is gevoegd.

  1. De totaalscore voor het koppel wordt vastgesteld:
  2. in geval van visuele meting in het slachthuis of het houderijbedrijf met gebruikmaking van de formule: aantal punten= (aantal dieren klasse 0)x0 + (aantal dieren klasse 1)x(0,5) + (aantal dieren klasse 2)x2
  3. bij meting door middel van een digitaal meetsysteem met de formule: aantal punten= (percentage dieren klasse 0)x0 + (percentage dieren klasse 1)x(0,5) + (percentage dieren klasse 2)x2

  1. De in het eerste lid bedoelde houder verstrekt per koppel de gegevens waaruit de score blijkt binnen 30 dagen na de vaststelling aan de minister. De artikelen 6.2, tweede lid, en 6.8, tweede en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
  2. De in het eerste lid bedoelde houder stelt na elk kalenderjaar een gemiddelde score voor het afgelopen jaar per stal vast op basis van de gegevens, bedoeld in het vijfde lid.

Artikel 6.6. Gevolgen hoge scores

  1. Indien een bezettingsdichtheid van meer dan 39 kg/m2, maar ten hoogste 42 kg/m2 wordt toegepast, is de gemiddelde score, bedoeld in artikel 6.5, zesde lid, niet hoger dan 80 punten.
  2. Indien de gemiddelde score, bedoeld in artikel 6.5, zesde lid, in afwijking van het eerste lid, meer dan 120 punten bedraagt,
  3. stelt de houder, zo mogelijk met behulp van een dierenarts, voor 1 maart van het jaar dat volgt op het jaar waarop de verstrekte gegevens betrekking hadden, een verbeterplan op met daarin de maatregelen die hij gaat doorvoeren in elke stal waarvoor de gemiddelde score meer dan 120 punten bedroeg, om ervoor te zorgen dat in elk geval aan het einde van dat jaar wordt voldaan aan het eerste lid, en
  4. verlaagt de houder uiterlijk met ingang van 1 maart van het jaar dat volgt op het jaar waarop de meldingen betrekking hadden, en vervolgens ten minste gedurende het hele kalenderjaar, de bezettingsdichtheid in elke stal waar de gemiddelde score meer dan 120 punten bedroeg, tot ten hoogste 39 kg/m2.

  1. Indien de gemiddelde score, bedoeld in artikel 6.5, zesde lid, in afwijking van het eerste lid, meer dan 80 punten bedraagt maar minder dan 120 punten, stelt de houder, zo mogelijk met behulp van een dierenarts, voor 1 februari van het jaar dat volgt op het jaar waarop de meldingen betrekking hadden, een verbeterplan op met daarin de maatregelen die hij gaat doorvoeren in elke stal waar de gemiddelde score meer dan 80 punten bedroeg, om ervoor te zorgen dat binnen een jaar wordt voldaan aan het eerste lid.
  2. Een verbeterplan wordt ingediend bij de minister. Artikel 6.2, tweede en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
  3. Indien naar het oordeel van de minister de uitvoering van het verbeterplan er in redelijkheid niet toe kan leiden dat binnen een kalenderjaar kan worden voldaan aan het eerste lid, dient de houder op verzoek van de minister binnen een maand na dat verzoek een aangepast verbeterplan in.
  4. De houder voert het verbeterplan, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, of in het derde lid, dan wel het aangepaste verbeterplan, bedoeld in het vijfde lid, zo spoedig mogelijk uit.
  5. De houder bewaart bewijsstukken van de maatregelen die hij bij de uitvoering van het verbeterplan heeft genomen gedurende ten minste 5 jaar, gerekend vanaf de datering van die stukken.

Artikel 6.7. Voortduren meting bij gedwongen verlaging bezettingsdichtheid naar 39 kg/m2

Artikel 6.5 is ten aanzien van het kalenderjaar waarin de bezettingsdichtheid is verlaagd naar ten hoogste 39 kg/m2 van overeenkomstige toepassing op de houder, bedoeld in artikel 6.6, tweede lid.

Artikel 6.8. Verstrekking gegevens aantallen vleeskuikens

  1. Ten behoeve van het bepalen van de bezettingsdichtheid draagt de houder er zorg voor dat per koppel de volgende gegevens worden verstrekt aan de minister:
  2. het aantal binnengebrachte vleeskuikens, bedoeld in artikel 2.52, eerste lid, onderdeel a, van het besluit;
  3. de datum waarop de vleeskuikens die uit de stal zijn verwijderd met het oogmerk om te worden geslacht, in de stal zijn geplaatst;
  4. het aantal vleeskuikens dat uit de stal is verwijderd met het oogmerk om te worden geslacht;
  5. het levend gewicht van de vleeskuikens, bedoeld in onderdeel c, op het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop zij worden geslacht;
  6. de datum waarop de vleeskuikens, bedoeld in onderdeel c, zijn geslacht;
  7. het resterende aantal vleeskuikens, bedoeld in artikel 2.52, eerste lid, onderdeel e, van het besluit.

  1. De gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden verstrekt binnen 30 dagen nadat de laatste vleeskuikens van het betreffende koppel uit de stal zijn verwijderd met het oogmerk om te worden geslacht.
  2. De houder bewaart de gegevens, bedoeld in het eerste lid, gedurende drie jaren na de datum van de verstrekking bij de gegevens die op grond van artikel 2.52 van het besluit worden geregistreerd.
  3. Artikel 6.2, tweede en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 6.9. Erkenning opleidingscertificaat

  1. De minister erkent een certificaat als bedoeld in artikel 2.54, eerste lid, van het besluit, indien dit certificaat betrekking heeft op:
  2. een opleiding die voldoet aan één van de volgende kwalificaties:

–    Dierverzorger hokdieren (crebocode 97702), alleen voor cohorten 2012-2014, of

–    Dierenhouder hokdieren (crebocode 97712), voor cohorten 2012-2013 en daaropvolgende jaren;

  1. de certificeerbare eenheid ‘welzijn van vleeskuikens’.

  1. De minister erkent een certificaat als bedoeld in artikel 4, derde lid, van de richtlijn nr. 2007/43/EG dat is afgegeven of erkend door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van de Europese Unie.
  2. Naast de aspecten, genoemd in artikel 2.54, derde lid, van het besluit heeft de vleeskuikenhouder tevens kennis van:
  3. contactdermatitis bij vleeskuikens, en
  4. maatregelen die in het kader van de bedrijfsvoering kunnen worden genomen om het ontstaan van contactdermatitis te voorkomen dan wel tegen te gaan.

Hoofdstuk 7. Registratie van legkippenhouders

Artikel 7.1. Registratie legkippen

  1. Ter uitvoering van artikel 2.69 van het besluit wordt medewerking gevorderd van het Productschap Pluimvee en Eieren.
  2. De in het eerste lid bedoelde medewerking bestaat uit het vaststellen van een registratie systeem voor pluimveehouders, het toekennen van een identificatienummer en de daarbij behorende administratieve verplichtingen.
  3. Het Productschap Pluimvee en Eieren kan voor het toekennen van een identificatienummer en voor de onderzoeken of verrichtingen die het productschap uitvoert in het kader van het eerste en tweede lid, een heffing vaststellen.
  4. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing voor zover het Productschap Pluimvee en Eieren reeds uitvoering geeft aan artikel 2.69 van het besluit op grond van artikel 93 van de Wet op de bedrijfsorganisatie.

Hoofdstuk 8. Bedrijfsmatig houden van dieren anders dan voor landbouwdoeleinden

Artikel 8.1. Definitie

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

    aanvrager: migrerende beroepsbeoefenaar als bedoeld in artikel 1 van de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties, die erkenning van beroepskwalificaties aanvraagt.

Artikel 8.2. Verschuldigde bedragen

Voor de aanmelding, bedoeld in art. 3.8, eerste lid, van het besluit en de melding bedoeld in artikel 3.8, vijfde lid, van het besluit, is jaarlijks een bedrag verschuldigd van € 19,00.

Artikel 8.3. Inenting hond

  1. Voor zover een hond in een inrichting verblijft, laat de beheerder een hond inenten tegen de volgende ziekten:
  2. Parvovirusinfectie;
  3. de ziekte van Carré en
  4. Hepatitis Contagiosia Canis.

  1. Onverminderd het bepaalde in artikel 2.19, derde lid, onderdeel a, van de wet geschiedt de inenting overeenkomstig het derde tot en met vijfde lid.
  2. Een hond wordt binnen 7 weken na de geboorte tegen de in het eerste lid, onderdelen a en b, bedoelde ziekten ingeënt, met dien verstande dat, in het geval van verkoop of aflevering, de hond uiterlijk 7 dagen vóór het moment van verkoop of aflevering wordt ingeënt.
  3. Voor zover een hond in een inrichting verblijft, laat de beheerder de inenting, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, en de benodigde herhalingsentingen tegen de in het eerste lid bedoelde ziekten plaatsvinden.
  4. Indien bij binnenkomst van een hond de vaccinatiestatus onvolledig of onbekend is, laat de beheerder de hond binnen 5 werkdagen tegen de in het eerste lid bedoelde ziekten inenten.
  5. Het eerste lid, onder c, is vanaf één jaar na inwerkingtreding van deze regeling van toepassing op honden die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling in een inrichting worden gehouden en niet tegen de ziekte, bedoeld in het eerste lid onder c, zijn ingeënt.

Artikel 8.4. Inentingen kat

  1. Voor zover een kat in een inrichting verblijft, laat de beheerder een kat inenten tegen de volgende ziekten:
  2. Panleucopenievirus en
  3. Feline herpes- en calicivirus.

  1. Onverminderd het bepaalde in artikel 2.19, derde lid, onderdeel a, van de wet, geschiedt de inenting overeenkomstig het derde tot en met vijfde lid.
  2. Een kat wordt binnen 7 weken na de geboorte tegen de in het eerste lid bedoelde ziekten ingeënt, met dien verstande dat, in het geval van verkoop of aflevering, de kat uiterlijk 7 dagen vóór het moment van verkoop of aflevering wordt ingeënt.
  3. Voor zover de kat in een inrichting verblijft, laat de beheerder de benodigde herhalingsentingen tegen de in het eerste lid bedoelde ziekten plaatsvinden.
  4. Indien bij binnenkomst van een kat de vaccinatiestatus onvolledig of onbekend is, laat de beheerder de kat binnen 5 werkdagen tegen de in het eerste lid bedoelde ziekten inenten.

Artikel 8.5. Bewijs van inenting

  1. Het bewijs van inenting, bedoeld in artikel 3.15, onderdeel b, van het besluit, is een door een dierenarts opgemaakt en schriftelijk afgegeven bewijs.
  2. Het is het eerste lid bedoelde bewijs heeft betrekking op de inentingen die overeenkomstig de artikelen 3 en 4 hebben plaatsgevonden en bevat de volgende gegevens:

–    naam en praktijkadres van de dierenarts;

–    de inentingsdatum, het herhalingsinterval en voor zover dat van toepassing is de hiervan gemotiveerde afwijkingen;

–    geslacht van het dier;

–    kleur van het dier;

–    voor zover bekend, ras van het dier;

–    voor zover bekend, geboortedatum van het dier en

–    indien aanwezig, het identificatienummer van de chip of de cijfer- en lettercode van de tatoeage.

  1. Met het in het eerste lid bedoelde bewijs van inenting wordt gelijkgesteld een bewijs van inenting dat ingevolge het Honden- en kattenbesluit 1999 voor desbetreffende hond of kat is afgegeven.

Artikel 8.6. Diergroepen

De volgende diergroepen, bedoeld in artikel 3.11, eerste lid, van het besluit, worden onderscheiden: hond en kat, overige zoogdieren, vogels, vissen en herpeten.

Artikel 8.7. Vermelden diergroep op diploma

De resultatenlijst behorend bij een diploma van het kwalificatiedossier, Crebocode 97790 en 97791, bedoeld in bijlage 2 van de Regeling vaststelling kwalificatiedossiers en opleidingsdomeinen 2012, vermeldt de diergroep, bedoeld in artikel 6 van deze regeling, waarvoor het onderwijs is genoten.

Artikel 8.8. Erkenning beroepskwalificaties

  1. De artikelen 8.8 tot en met 8.10 van deze regeling zijn van toepassing op de aanvraag van een migrerende beroepsbeoefenaar tot het verkrijgen van erkenning van beroepskwalificaties voor de toegang tot uitoefening van het gereglementeerde beroep beheerder van een inrichting als bedoeld in het besluit.
  2. Artikel 8.12 van deze regeling is van toepassing op de verklaring, bedoeld in artikel 23 van de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties, en de controle, bedoeld in artikel 27 van de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties, van een dienstverrichter die een gereglementeerd beroep als bedoeld in het eerste lid wenst uit te oefenen.

Artikel 8.9. Aanvraag erkenning beroepskwalificaties

  1. Een aanvraag tot het verkrijgen van erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties wordt ingediend bij de minister.
  2. Bij de aanvraag overlegt de aanvrager:
  3. de documenten, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdelen a tot en met c, van de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties, en
  4. indien de aanvraag en de documenten, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdelen b en c, van de Algemene wet Erkenning EG-beroepskwalificaties in een andere dan de Nederlandse, Duitse of Engelse taal zijn gesteld, een door een beëdigde tolk of vertaler opgestelde vertaling daarvan in één van deze talen.

Artikel 8.10. Proeve van bekwaamheid

Indien de aanvrager op grond van artikel 11 van de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties een proeve van bekwaamheid moet afleggen:

  1. wordt de aanvrager schriftelijk geïnformeerd over de vakken waarop de proeve van bekwaamheid betrekking heeft, over de wijze waarop de proeve van bekwaamheid wordt afgenomen en over de kosten van de proeve;
  2. wordt het resultaat van de proeve van bekwaamheid zo spoedig mogelijk meegedeeld aan de aanvrager.

Artikel 8.11. Aanpassingsstage

Indien de aanvrager op grond van artikel 11 van de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties een aanpassingsstage moet doorlopen, wordt de aanvrager schriftelijk medegedeeld:

  1. de vakken waarop de aanpassingsstage betrekking heeft;
  2. de duur van de aanpassingsstage;
  3. in voorkomend geval de aanvullende opleiding die deel uitmaakt van de aanpassingsstage.

Artikel 8.12. Eerste dienstverrichting

  1. Een dienstverrichter als bedoeld in artikel 21 van de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties verstrekt voorafgaand aan de eerste dienstverrichting aan de minister de volgende documenten:
  2. de documenten, bedoeld in artikel 23, eerste en derde lid, van de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties, en
  3. indien de documenten, bedoeld in artikel 23, eerste en derde lid, onderdelen b, c en d, van de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties in een andere dan de Nederlandse, Duitse of Engelse taal zijn gesteld, een door een beëdigde tolk of vertaler opgestelde vertaling daarvan in één van deze talen.

  1. Indien na de controle, bedoeld in artikel 27 van de Algemene wet Erkenning EG-beroepskwalificaties, blijkt dat de beroepskwalificaties van dienstverrichter als bedoeld in artikel 21 van de Algemene wet Erkenning EG-beroepskwalificaties wezenlijk verschillen van de vereiste opleiding voor de toegang tot uitoefening van het beroep beheerder van een inrichting, legt de dienstverrichter een proeve van bekwaamheid af.

Hoofdstuk 9. Overige bepalingen

Artikel 9.1. Sledehondensport

De uitoefening van de sledehondensport is uitsluitend toegestaan indien gebruik wordt gemaakt van honden, behorend tot de volgende rassen:

  1. Alaskan Malamute,
  2. Eskimohond,
  3. Groenlandse hond,
  4. Samojeed,
  5. Siberian husky, mits bij de honden geen pijn of letsel wordt veroorzaakt en de gezondheid of het welzijn van de honden niet wordt benadeeld.

Artikel 9.2. Verbodsbepaling

Als voorschrift van een EU-verordening als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de wet wordt aangewezen: artikel 18 van verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002, tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden, voor houders van productiedieren die gehouden worden voor de voedselproductie (PbEG 2002 L 31).

Hoofdstuk 10. Wijziging en intrekking van regelingen

Artikel 10.1. Wijziging van de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren

[Wijzigt de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren.]

Artikel 10.2. Wijziging Regeling diergeneesmiddelen

[Wijzigt de Regeling diergeneesmiddelen.]

Artikel 10.3. Wijziging Regeling dierlijke producten

[Wijzigt de Regeling dierlijke producten.]

Artikel 10.4. Wijziging Regeling preventie, bestrijding en monitoring van besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE

[Wijzigt de Regeling preventie, bestrijding en monitoring van besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE’s.]

Artikel 10.5. Wijziging Tijdelijke vrijstellingsregeling enten AI-gevoelige vogels dierentuinen 2003

[Wijzigt de Tijdelijke vrijstellingsregeling enten AI-gevoelige vogels dierentuinen 2003.]

Artikel 10.6. Intrekking regelingen

De Vrijstellingsregeling dierenwelzijn wordt ingetrokken.

Hoofdstuk 11. Slotbepalingen

Artikel 11.1. Inwerkintreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 2014.

Artikel 11.2. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling houders van dieren.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

‘s-Gravenhage, 23 juni 2014

De Staatssecretaris van Economische Zaken, S.A.M. Dijksma

Bijlage 1

(gereserveerd)

Bijlage 2

(gereserveerd)

Bijlage 3. Protocol voor de visuele monitoring van voetzoollaesies aan vleeskuikens in het slachthuis als bedoeld in artikel 6.5, derde lid, onderdeel a, van de Regeling houders van dieren

  1. Deze monitoring wordt uitgevoerd in het slachthuis waar het koppel vleeskuikens of het grootste deel ervan wordt geslacht.
  2. De monitoring wordt uitgevoerd door hiervoor opgeleide slachthuismedewerkers, onder toezicht van de NVWA.
  3. 100 vleeskuikens per koppel (per stal) worden beoordeeld, waarvan 50 kuikens rond de verwerking van 30% van het koppel, en 50 kuikens rond de verwerking van 60% van het koppel.
  4. Alleen de rechter poot van elk vleeskuiken van de steekproeven wordt beoordeeld. Hiervoor worden de te monitoren poten van de slachtlijn gehaald en verzameld.
  5. De medewerker baseert zijn beslissingen over de indeling van de poten in 3 categorieën (geen, matige of ernstige voetzoollaesie) op de inhoud van de daarvoor aan hem verstrekte scorekaart en stelt de totaalscore voor het koppel vast met gebruikmaking van de formule: aantal punten= (aantal dieren klasse 0)x0 + (aantal dieren klasse 1)x0,5 + (aantal dieren klasse 2)x2
  6. Deze gegevens worden door het slachthuis geregistreerd en doorgegeven aan de houder.

Bijlage 4. Protocol voor het monitoren van voetzoollaesies aan levende dieren op vleeskuikenbedrijven als bedoeld in artikel 6.5, derde lid, onderdeel b, van de Regeling houders van dieren

  1. Deze monitoring wordt uitgevoerd op het bedrijf zelf, maximaal 5 dagen voordat het koppel wordt geslacht. Het betreft koppels die geëxporteerd worden en waar geen meting van voetzoollaesies plaatsvindt in het slachthuis van bestemming, of koppels die in kleine slachthuizen in Nederland worden geslacht.
  2. De monitoring wordt uitgevoerd door een hiervoor opgeleide controleur van een door het Productschap voor Pluimvee en Eieren erkende organisatie die vermeld staat op de website van dat productschap.
  3. Per stal worden 100 levende vleeskuikens beoordeeld, waarbij ten minste 4 steekproeven in de stal (bijvoorbeeld 4 keer 25 dieren) worden genomen, genomen op locaties verdeeld over de stal, minimaal 2 locaties tegen de muur en de overige locaties tussen voer- en drinklijnen in. Zie voorbeeld hieronder.
  4. De controleur maakt gebruik van extra verlichting (zoals een hoofdlamp) en van een vanghek om dubbele metingen te voorkomen. Hiervoor kan hij de kuikens merken met bv. watervaste stift (op de poot, of vleugels).
  5. Het schoonmaken van de poten met borstel en sop wordt afgeraden, na het afwrijven van de mest van de poot heeft men een redelijk beeld van de conditie van de poten.
  6. In de steekproeven wordt alleen de rechter poot van elk vleeskuiken beoordeeld.
  7. De controleur baseert zijn beslissingen over de indeling van de poten in 3 categorieën (geen, matige of ernstige voetzoollaesie) op de inhoud van de daarvoor aan hem verstrekte scorekaart.
  8. De controleur registreert het aantal vleeskuikens in de 3 categorieën (geen, matige of ernstige voetzoollaesie) en geeft dit door aan de houder, alsmede de totaalscore van het koppel.
  9. Deze wordt berekend met onderstaande formule: aantal punten= (aantal dieren klasse 0)x0 + (aantal dieren klasse 1)x0.5 + (aantal dieren klasse 2)x2

Geef een reactie